Het tijdstip van de opname

Inleiding

Over het moment van de opname bestaat onder bijbelgetrouwe christenen verschil van inzicht. Sommigen zijn van mening dat de opname plaats zal vinden tijdens de terugkomst van Jezus. Nadat de gemeente opgenomen is, zal zij direct met Jezus terugkeren naar de aarde. Anderen zijn van mening dat er tussen de opname en de terugkomst van Jezus op z’n minst drie en een half jaar zullen zitten. De gemeente wordt volgens hen opgenomen voordat de grote verdrukking begint. De gemeente zal de verschrikkelijke oordelen die de wereld zullen treffen vlak voor de terugkomst van Jezus niet mee te maken. Dit laatste standpunt wordt in deze Bijbelstudie vanuit de Bijbel bewezen. We zullen bespreken waarop deze overtuiging gebaseerd is.

 1. Jezus zal ons verlossen van de komende toorn

  • “Want zij vermelden zelf over ons hoezeer wij ingang bij u gekregen hebben en hoe u zich van de afgoden tot God bekeerd hebt om de levende en waarachtige God te dienen, en Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, Die Hij uit de doden heeft opgewekt, namelijk Jezus, Die ons verlost van de komende toorn.” (1 Thessalonicenzen 1:9,10)

In dit Bijbelvers wordt gesproken over de komende toorn. Met de komende toorn wordt de grote verdrukking bedoeld, de dag des Heren. [1] De periode van oordelen die aan de terugkomst van Jezus vooraf gaat. Deze periode wordt in Openbaring 6:17 “de grote dag van Zijn toorn” genoemd. Ook in het Oude Testament wordt de dag des Heren zo omschreven.[2] Op dit moment moet deze dag van Gods toorn nog komen. Net als in de dagen van Paulus ligt deze grote dag van Gods toorn nog in de toekomst. De oordelen van deze tijd worden tot in detail beschreven in Openbaring 6-18.

Jezus zal ons van deze komende toorn verlossen. De toorn van God zal alleen de ongelovigen treffen. Wij zullen voor deze dag van Zijn toorn bewaard worden.  “Want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot het verkrijgen van de zaligheid, door onze Heere Jezus Christus…” (1 Thessalonicenzen 5:9).

God bewaard zijn kinderen altijd voor Zijn toorn. Wanneer God besluit om te oordelen, zorgt Hij er voor dat zij die Hem liefhebben, niet door Zijn oordeel getroffen worden. Petrus zegt dat in 2 Petrus 2:9 als volgt: “de Heere weet de godvruchtigen uit de verzoeking te verlossen.”

Petrus gebruikt in 2 Petrus 2:4-9  twee voorbeelden om dit duidelijk te maken. Het eerste voorbeeld is de zondvloed. De goddeloosheid van de mens was in de tijd van Noach zo groot dat God besloot om hen door het oordeel van de zondvloed van de aarde weg te vagen. Maar Noach en zijn familie werden door God gespaard. God bewaarde hen omdat zij Hem dienden. Het tweede voorbeeld dat Petrus gebruikt is de omkering van Sodom en Gomorra. De goddeloze inwoners van deze steden werden door Gods oordeel getroffen. Maar Lot, die een rechtvaardig man was, werd, voordat dit oordeel kwam, door engelen uit Sodom weggeleid. Lot werd verlost van het oordeel waarmee God de goddeloze inwoners van Sodom en Gomorra trof. “en als God de rechtvaardige Lot, die leed onder de losbandige levenswandel van normloze mensen, verlost heeft…dan weet de Heere ook nu de godvruchtigen uit de verzoeking te verlossen…” (2 Petrus 2:7,9)

Zoals God Noach en Lot bewaarde voor Zijn oordelen, zal God ook ons bewaren voor de komende dag van Zijn toorn. Dit zal God doen door ons, voordat deze dag aanbreekt, op te halen. Er zijn twee Bijbelgedeelten die dit duidelijk leren. We zullen deze Bijbelgedeelten hieronder bespreken. We beginnen met Lukas 21:25-36.

  • “En er zullen tekenen zijn aan zon en maan en sterren, en op de aarde radeloze angst onder de volken vanwege het bulderen van zee en branding, terwijl de mensen bezwijmen van vrees en angst voor de dingen, die over de wereld komen. Want de machten der hemelen zullen wankelen. En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen op een wolk, met grote macht en heerlijkheid…Ziet toe op uzelf, dat uw hart nimmer bezwaard worde door roes en dronkenschap en zorgen voor levensonderhoud, en die dag [de grote verdrukking] niet plotseling over u kome, als een strik. Want hij zal komen over allen, die gezeten zijn op het oppervlak der ganse aarde. Waakt te allen tijde, biddende, dat gij in staat moogt wezen te ontkomen aan alles wat geschieden zal, en gesteld te worden voor het aangezicht van de Zoon des mensen.” (Lukas 21:25-27,34-36 NBG)

 In vers 25-27 wordt beschreven hoe de mensen tijdens de grote verdrukking door grote vrees bevangen worden. Het hart van de mensen zal van vrees bezwijken vanwege de oordelen van God die vlak voor Jezus terugkomst de aarde treffen. In vers 34-36 roept Jezus ons op om te volharden. We moeten waakzaam zijn en oppassen dat wij ons niet door zonde en zorgen van Hem af laten trekken.

In vers 36 belooft Jezus om ons te bewaren voor de verschrikkelijke oordelen van de grote verdrukking, door ons tot zich te nemen. Op het moment dat Gods oordelen over “allen die gezeten zijn op het oppervlak der ganse aarde” komen, zullen wij in de hemel, “voor het aangezicht van de Zoon des mensen”, staan.

Het tweede Bijbelgedeelte vinden we in het derde hoofdstuk van het boek Openbaring. In dit Bijbelgedeelte is net als in Lukas 21:25-36 Jezus aan het woord.  In dit Bijbelgedeelte belooft Jezus om ons te bewaren: “voor het uur van de verzoeking, die over heel de wereld zal komen.” Dit uur van de verzoeking is de grote verdrukking, de dag des Heren.

  •  “Omdat u het woord van Mijn volharding hebt bewaard, zal Ik ook u bewaren voor het uur van de verzoeking, die over heel de wereld komen zal, om hen die op de aarde wonen te verzoeken.” (Openbaring 3:10)

 Jezus belooft ons te bewaren voor het uur van de verzoeking. Dat wil zeggen, Hij belooft ons te bewaren voor de tijd van de grote verdrukking. De enige manier waarop Jezus ons voor de tijd van de grote verdrukking kan bewaren is door ons weg te nemen van deze aarde voordat deze tijd begint. Voor de grote verdrukking zou God ons in theorie ook hier op aarde kunnen bewaren. Maar voor de tijd van de grote verdrukking kan hij ons alleen bewaren door ons, voordat die tijd aanbreekt, van deze aarde weg te nemen.

2. Aan het begin van de grote verdrukking is de gemeente weg

De opvatting dat de opname plaats zal vinden voor de grote verdrukking, wordt het pre-tribulationisme genoemd.  In het vorige punt hebben we het belangrijkste argument voor het pre-tribulationisme besproken. Het pre-tribulationisme is in de eerste plaats gebaseerd op de beloften die hiervoor besproken zijn. Maar er zijn nog een aantal argumenten die deze leer ondersteunen. In dit punt, en in het volgende punt zullen we twee argumenten bespreken.

In Openbaring hoofdstuk 6-19 beschrijft Johannes de verschrikkingen van de grote verdrukking. In deze hoofdstukken wordt de gemeente niet genoemd. Het volk Israël wordt wel genoemd, ook wordt er gesproken over heiligen en martelaren[3]. We komen echter nergens de gemeente van Jezus Christus tegen. Het woord gemeente wordt niet meer gebruikt. Dat is opmerkelijk want in hoofdstuk 2 en 3 heeft Johannes juist uitgebreid over de gemeenten gesproken. De gemeente is in deze hoofdstukken het centrale onderwerp. Zodra hij het echter over de grote verdrukking heeft, spreekt hij niet meer over de gemeente. Dit bevestigt dat de gemeente niet meer op aarde is op het moment dat de grote verdrukking begint.

3. De gemeente moet weg zijn voordat de Antichrist zich kan openbaren

In 2 Thessalonicenzen 2:1-12 legt Paulus uit dat er voor dat de grote verdrukking begint twee gebeurtenissen plaats moeten vinden. De eerste gebeurtenis is de openbaring van de antichrist. En de tweede gebeurtenis is de afval.[4] De openbaring van de antichrist vindt plaats op het moment dat de antichrist in de tempel in Jeruzalem gaat zitten. Dit doet hij om de mensheid er van te overtuigen dat hij God is. Voor een uitgebreide bespreking van de openbaring van de antichrist, zie punt vier van Bijbelstudie 71B

  • “Laat niemand u op enigerlei wijze misleiden. Want die dag komt niet, tenzij eerst de afval gekomen is en de mens van de wetteloosheid, de zoon van het verderf, geopenbaard is, de tegenstander, die zich ook verheft boven al wat God genoemd of als God vereerd wordt, zodat hij als God in de tempel van God gaat zitten en zichzelf als God voordoet.” (2 Tessalonicenzen 2:3,4)
  • “Laat niemand u misleiden, op welke wijze ook, want eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren [de antichrist] …” (2 Tessalonicenzen 2:3 NBG)

Deze openbaring (verschijning) van de antichrist wordt tot op dit moment nog tegen gehouden. Er is iets dat de antichrist verhindert om zich aan de mensheid te openbaren.

  • “En u weet wat hem nu weerhoudt, opdat hij op zijn eigen tijd geopenbaard wordt. Want het geheimenis van de wetteloosheid is al werkzaam. Alleen is er iemand die hem nu weerhoudt, totdat hij uit het midden verdwenen is. En dan zal de wetteloze geopenbaard worden…(2 Thessalonicenzen 2:6-8)

Tot nu toe wordt de openbaring van de antichrist nog tegen gehouden. Maar op Gods tijd, volgens Gods plan, zal de antichrist de ruimte krijgen. Dat gebeurt op het moment dat wat hem weerhoudt wordt weggenomen. “En dan zal de wetteloze geopenbaard worden…” (2 Thessalonicenzen 2:8)

De vraag is wie of wat deze weerhouder is? Uit het Bijbelgedeelte kunnen we al iets opmaken. De weerhouder is een persoon, hij wordt , ‘hij’, genoemd: “wacht slechts totdat hij, die op het ogenblik nog weerhoudt, verwijderd is” (2 Thessalonicenzen 2:7 NBG). Maar de weerhouder wordt ook aangeduid als een, ‘wat’, als iets onpersoonlijks, als een invloed: “En u weet wat hem nu weerhoudt…” (2 Thessalonicezen 2:6)

De enige verklaring die recht doet aan 2 Tessalonicenzen 2:3,4 is de opvatting dat de weerhouder de Heilige Geest is die door de gemeente in de wereld werkt. De Heilige Geest is een persoon, van daar dat de tekst spreekt over, ‘hij’. Het, ‘wat’, slaat op zijn werk door de christenen heen in deze wereld. De gemeente is het zout van de aarde (Mattheus 5:13). Zie ook Filippenzen 2:14,15. Zout houdt bederf tegen. Een maatschappij waar veel christenen zijn, zal minder verdorven zijn. Ook kan de antichrist de christenen niet bedriegen met zijn leugen dat hij God is. Als de gemeente plotseling door de opname verdwijnt van de aarde krijgt de antichrist zijn kans.

Dat met de weerhouder het werk van de Heilige Geest door de gemeente wordt bedoeld, ondersteunt de stelling dat de gemeente opgenomen zal worden voordat de grote verdrukking begint. Want de openbaring van de antichrist zal plaatsvinden aan het begin van de grote verdrukking.

Sommige christenen menen dat de weerhouder iets of iemand anders is. Bijvoorbeeld het Romeinse rijk. Maar de Romeinse staat is al vele eeuwen geleden verdwenen. En de openbaring van de antichrist heeft nog steeds niet plaatsgevonden.
Anderen zeggen dat deze uitleg niet kan kloppen, omdat ook tijdens de grote verdrukking de Geest van God nog steeds op aarde werkzaam is. Er komen in die tijd vele mensen tot geloof. Zie Openbaring 7:9,13,14. Dit bezwaar rust op een misverstand over het bijzondere karakter van de tijd van de gemeente, waarin wij op dit moment leven.

Ook voordat de Heilige Geest op de Pinksterdag werd uitgestort op de discipelen was de Geest van God al werkzaam onder de mensen. Er waren ook voor die tijd mensen die oprecht geloofden. Toch zegt Jezus dat na zijn Hemelvaart de Geest op een bijzondere wijze in de gelovigen zou komen wonen. “Doch Ik zeg u de waarheid: Het is beter voor u, dat Ik heenga. Want indien Ik niet heenga, kan de Trooster niet tot u komen, maar indien Ik heenga, zal Ik Hem tot u zenden” (Johannes 16:7). “Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. Dit zeide Hij van de Geest, welke zij, die tot geloof in Hem kwamen, ontvangen zouden; want de Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.(Johannes 7:38,39).[5]  Het bijzondere van de tijd van de gemeente is dat de Heilige Geest in iedere gelovige woont. We zijn allen met één Geest gedrenkt (1 Korinthiers 12:13).

Door de inwoning van de Heilige Geest is de gemeente als collectief het ene geestelijke lichaam van Christus.[6] Aan die tijd komt met de opname van de gemeente een einde. Maar net zoals de Geest werkzaam was voor de tijd van de gemeente, zal de Geest ook werkzaam blijven na de opname van de gemeente.[7]

 

Toetsvragen
1. Welke opvattingen zijn er onder bijbelgetrouwe christenen over het tijdstip van de opname?
2. Wat wordt in 1 Thessalonicenzen 1:10 met de komende toorn bedoeld?
3. Hoe wordt de grote verdrukking in de Bijbel meestal genoemd?
4. Hoe zal Jezus ons van de komende toorn verlossen?
5. Welke waarheid benadrukt Petrus in 2 Petrus 2:9?
6. Welke voorbeelden gebruikt Petrus in 2 Petrus 2:4-9 om deze waarheid te illustreren?
7. In welke hoofdstukken van het boek Openbaring wordt over verschillende gemeenten gesproken?
8. Waarom wordt de gemeente in Openbaring 6-18 niet meer genoemd?
9. Wie of wat wordt in 2 Thessalonicenzen 2:7 met de weerhouder bedoeld?
10. Wat wordt er in 2 Thessalonicenzen 2:7 door God tegen gehouden?

 

[1] Voor een bespreking van de grote verdrukking zie bijbelstudies 70A en 70B

[2]In de profeten wordt regelmatig over deze periode gesproken. De profeten omschrijven de dag des Heren als een openbaring van Gods toorn over de zonde, en ze leggen er sterk de nadruk op dat deze dag van Gods toorn er aan zit te komen. Zij wordt voorgesteld als komende, als nabij. Zie bijvoorbeeld Jesaja 2:12-22; 13:6-13; Joel 1:15-; 2:1,2; Zefanja 1:14-18; Maleachi 4:1.

[3] Nadat de gemeente is opgenomen zullen er opnieuw mensen tot geloof in Jezus komen. Toch worden deze nieuwe gelovigen niet de gemeente genoemd.

[4] Dit Bijbelgedeelte wordt ook besproken in punt tien van Bijbelstudie 71C over de antichrist.

[5] Zie Bijbelstudie 20 over de komst van de Heilige Geest.

[6] Zie Bijbelstudie 51A over de gemeente.

[7] In deze voetnoot bespreken we nog een extra argument voor het pre-tribulationisme. Voordat het duizendjarige vrederijk begint zal Jezus de volken oordelen. Alle mensen die de grote verdrukking overleefd hebben zullen voor de troon van Zijn heerlijkheid moeten verschijnen (Mattheus 25:31-46). Op dat moment zal Jezus bepalen wie wel en wie niet Zijn koningrijk binnen mogen gaan. Zij die Hem liefhebben zullen het duizendjarige vrederijk binnen mogen gaan, maar zij die hem haten zullen gedood worden. Het enige wat deze mensen nog te wachten staat is het laatste oordeel en de verschrikkingen van de hel. Zie punt 1 van Bijbelstudie 70A en Bijbelstudie 77 voor meer uitleg. Aan het begin van het duizendjarige vrederijk zijn er dus alleen nog maar gelovigen op aarde. Als de opname plaats zou vinden tijdens Jezus terugkomst naar deze aarde, zouden er geen gelovigen meer op aarde zijn om het duizendjarige vrederijk te bevolken. Alle gelovigen zijn immers opgenomen! Er moet dus een tijd tussen de opname en de terugkomst van Jezus naar deze aarde zitten. Dat is precies wat de aanhangers van het pre-tribulationisme leren.