De doop

Inleiding

  •   Zij nu die zijn woord met vreugde aannamen, werden gedoopt en ongeveer drieduizend zielen werden er op die dag aan hen (Handelingen 2:41)

In deze Bijbelstudie zullen we nagaan wat de Bijbel over de waterdoop[1] zegt. We zullen stil staan bij vragen als: Wat is de doop? En wie moeten er gedoopt worden? We beginnen met de instelling van de doop.

1. De doop is door Jezus ingesteld

  • “En Jezus … zei: Mij is gegeven alle macht in de hemel en op aarde. Ga dan heen, onderwijs al de volken, hen dopend in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, hen lerend alles wat Ik u geboden heb, in acht te nemen. En zie ik ben met u tot de voleinding van de wereld. Amen.” (Mattheüs 28:18-20)

 Vlak voor zijn hemelvaart heeft Jezus zijn discipelen de opdracht gegeven om het evangelie te verkondigen aan alle volken en om de mensen die tot geloof zouden komen te dopen. In het boek Handelingen lezen we hoe de discipelen deze opdracht uitvoerden.

Dopen is dus niet vrijblijvend, het is geen optie die je wel of niet kunt kiezen. Jezus heeft het opgedragen. Het is de eerste stap van gehoorzaamheid na de bekering.

2. De betekenis van de doop

De doop heeft een symbolische betekenis. De handeling van de waterdoop beeldt iets uit. De doop is een uiterlijk getuigenis van wat er innerlijk met je gebeurd is. De doop symboliseert het behoud.

Met Christus gestorven en opgewekt

De doop beeldt uit dat we met Christus gestorven en opgewekt zijn. “Of weet u niet dat wij allen die in Christus Jezus gedoopt zijn, in Zijn dood gedoopt zijn? Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat evenals Christus uit de doden is opgewekt tot de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in een nieuw leven zouden wandelen.” (Romeinen 6:3,4) Door de doop geven we aan dat we het oude leven zonder Christus achter ons hebben gelaten en dat we een nieuw leven met Christus zijn begonnen. De doop beeldt de begrafenis van de oude mens uit. “Daarom, als iemand in Christus is, is hij een nieuwe schepping: het oude is voorbij gegaan, zie alles is nieuw geworden.” (2 Korinthe 5:17).

De reiniging van de zonden

De doop beeld ook de reiniging van onze zonden uit. Zoals het water het lichaam reinigt, zo zijn wij, toen wij tot geloof kwamen, van onze zonden schoongewassen door het bloed van Christus. “…Sta op, laat u dopen en uw zonden afwassen onder aanroeping van de Naam van de Heere.” (Handelingen 22:16)

3. De uitvoering van de doop

De doop dient te geschieden doormiddel van onderdompeling. Besprenkeling of begieting zijn niet bijbels. Het Griekse werkwoord Baptizein, dat in het Nederlands vertaald wordt met dopen, betekent letterlijk “duiken”, “onderdompelen”. Het Grieks kent ook woorden voor besprenkelen en begieten, maar deze woorden worden in het Nieuwe Testament nooit gebruikt om de daad van het dopen aan te duiden. De onderdompeling doet ook het meeste recht aan de symbolische betekenis van de doop. De oude mens gaat het water in, en de nieuwe mens komt weer uit het water op (Romeinen 6:3,4; Kolossenzen 2:12).

Wie de doop bediend is niet van groot belang. We vinden hierover geen voorschiften in de Bijbel. In evangelische gemeenten is het meestal de voorganger of een van de oudsten die de doop uitvoert.

Er wordt gedoopt in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest (Mattheüs 28:19.)

4. Wie moeten er gedoopt worden?

Voor wie is de doop bedoeld? Wie mag er gedoopt worden? Op die vragen geeft de Bijbel een duidelijk antwoord. Dat antwoord staat bijvoorbeeld in het verhaal over de doop van de kamerheer uit Ethiopië

  • En terwijl zij onderweg waren, kwamen zij bij een water. En de kamerheer zei: Kijk, daar is water; wat verhindert mij gedoopt te worden? En Filippus zei: Als u met heel uw hart gelooft, is het geoorloofd. En hij antwoordde en zei: Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon van God is. En hij liet de wagen stilhouden, en zij daalden beiden af in het water, zowel Filippus als de kamerheer, en hij doopte hem.” (Handelingen 8:36-38)

 Wanneer is het geoorloofd? “Indien gij met heel uw hart gelooft.” De doop is, ‘op geloof’. Als er geloof is, dan mag er gedoopt worden. Dat is ook precies zoals we het in het boek Handelingen zien gebeuren.

In het boek Handelingen komen we telkens dit patroon tegen: verkondiging, bekering, doop. Het evangelie wordt verkondigd, mensen bekeren zich, waarna ze gedoopt worden.

Zo ging het bijvoorbeeld op de Pinksterdag. Petrus verkondigde het evangelie (Handelingen 2:14-36). Mensen geloofden het evangelie (Handelingen 2:37). Vervolgens werden ze gedoopt. (Handelingen 2:41). “Zij nu die zijn woord met vreugde aannamen, werden gedoopt …”.

En zo ging het ook bij de Samaritanen  in Handelingen 8 (Handelingen 8:12), bij de bekering van Paulus (Handelingen 22:16), bij de bekering van Cornelius (Handelingen 10:48), bij de gevangenbewaarder van Filippi (Handelingen 16:33), enzovoort.

5. Dwalingen rondom de doop

 In deze paragraaf bespreken we twee dwalingen op het gebied van de doop.

Wedergeboorte door de doop

We beginnen met de ernstigste dwaling. De leer dat de doop de wedergeboorte bewerkt en daarom noodzakelijk is voor het behoud. Als iemand niet gedoopt is, kan hij volgens deze dwaalleer niet behouden worden. In deze leer is de waterdoop meer dan een symbolische handeling. De handeling van de doop zelf, zou de wedergeboorte bewerken.

Dit is het officiële standpunt van de Rooms-katholieke Kerk[2]. Deze opvatting is in strijd met wat de Bijbel over het behoud leert. [3]

Zie Bijbelstudie 36: “Het behoud is alleen door het geloof”. In de Bijbel worden mensen niet behouden omdat ze zich laten dopen. Ze laten zich dopen omdat ze behouden zijn. Zie bijvoorbeeld het verhaal over Cornelius in Handelingen 10:34-48. [4]

Kinderdoop

Een andere dwaling is de leer dat de kinderen van gelovigen als baby gedoopt moeten worden[5]. Dit is in strijd met wat we in het boek Handelingen zien gebeuren. Daar worden mensen pas gedoopt nadat ze tot geloof zijn gekomen.

Nergens wordt in het Nieuwe Testament opdracht gegeven om zuigelingen te dopen. En er is in de Bijbel ook geen enkel voorbeeld van het dopen van baby’s te vinden[6]. In Handelingen 8:12 lezen we dat in Samaria mannen en vrouwen werden gedoopt. We lezen niets over kinderen.

Als er geloof is, dan mag er gedoopt worden. “Als u met heel uw hart gelooft, is het geoorloofd” (Handelingen 8:37). Dat betekent dat baby’s niet gedoopt mogen worden, want zij kunnen uiteraard nog niet geloven.

In de Rooms-katholieke kerk zijn de dwaling van de wedergeboorte door de doop en de dwaling van de kinderdoop met elkaar verbonden. Volgens de leer van de Rooms-katholieke Kerk worden zuigelingen op het moment dat ze gedoopt worden wedergeboren en komen ze in de staat van genade.

6. Wel belangrijk, maar niet noodzakelijk voor het behoud

De doop is uiteraard belangrijk, dat is alleen al zo vanwege het feit dat Jezus de doop heeft ingesteld. Maar de doop is niet noodzakelijk voor het behoud. Wat ons behoud is het geloof. Zie Bijbelstudie 36: “Het behoud is alleen door het geloof”.

Er is vaak veel geestelijke strijd rondom dopelingen. Zowel vlak voor het tijdstip van de doop, als er na. De doop is de openlijke belijdenis van het geloof. Het is het getuigenis tegenover mensen en de engelen dat je definitief de kant van Jezus hebt gekozen. Het valt te verwachten dat dit de vijandigheid van de satan en de boze geesten oproept. Het is daarom belangrijk om voor de bescherming van de dopelingen te bidden.

 

Toetsvragen

1. Wie heeft de doop ingesteld?
2. Leg uit waarom de doop niet vrijblijvend is.
3. Wat beeld de doop uit?
4. Hoe moet de doop uitgevoerd worden?
5. Waarom is besprenkeling of begieting niet Bijbels?
6. Maakt het uit wie de doop bedient?
7. Wanneer mag iemand gedoopt worden?
8. In welke bijbeltekst uit het boek Handelingen vinden we het antwoord op de vraag wie er gedoopt mogen worden?
9. Welke dwaalleer over de doop wordt door de Rooms-katholieke kerk onderwezen?
10. Weerleg deze dwaling van de Rooms-katholieke kerk aan de hand van Handelingen 10:34-48.


[1] Naast de waterdoop kent de Bijbel ook de doop met de Geest. Zie Bijbelstudie 23 over de doop in de Geest.

[2] Enkele citaten uit de Katechismus van de Katholieke Kerk. “De Heer zelf bevestigt dat het doopsel noodzakelijk is voor het heil. Hij heeft dan ook aan zijn leerlingen bevolen het evangelie te verkondigen en alle volkeren te dopen. Het doopsel is heilsnoodzakelijk voor hen aan wie het evangelie verkondigd werd en die de mogelijkheid hebben gehad dit sacrament te vragen. De kerk kent geen ander middel dan het doopsel om de toegang tot de eeuwige gelukzaligheid te verzekeren. Daarom hoedt zij zich ervoor de zending te verwaarlozen die zij van de Heer ontvangen heeft om al wie het doopsel kan ontvangen te doen “herboren worden uit water en geest.” God heeft het heil verbonden met het sacrament van het doopsel; …” (Artikel 1257, Katechismus van de Katholieke Kerk)

“Door het doopsel worden alle zonden vergeven, de erfzonde en alle persoonlijke zonden, evenals alle zonde straffen…” (Artikel 1263, Katechismus van de katholieke kerk)

“Het doopsel zuivert niet enkel van alle zonden, het maakt van de pas gedoopte ook “een nieuwe schepping” (2 Korinthe 5:17…)” (Artikel 1264, Katechismus van de Katholieke Kerk)

Volgens de Rooms-katholieke kerk symboliseert de doop niet alleen de vergeving der zonden en de wedergeboorte maar verwezenlijkt zij deze ook. De doop heeft dus niet slechts een symbolische betekenis. De doop bewerkt volgens de Rooms-katholieke kerk ook daadwerkelijk in de mens wat zij uitbeeldt. Om die reden is de doop, volgens de Rooms-katholieke Kerk, dan ook heilsnoodzakelijk.

[3] Om deze dwaalleer te bewijzen wordt onder anderen naar de volgende Bijbelgedeelten verwezen: Marcus 16:15,16; Johannes 3:5; Handelingen 2:38; 22:16; Romeinen 6:3,4; Titus 3:5 en 1 Petrus 3:21.

In Handelingen 22:16; Romeinen 6:3,4; Titus 3:5 en 1 Petrus 3:21 wordt de doop als symbool van het behoud gebruikt. De doop is een symbool voor de vergeving van onze zonden (Handelingen 22:16), de wedergeboorte (Titus 3:5) en onze dood en opstanding met Christus (Romeinen 6:3,4). Uit de rest van de Bijbel weten we dat deze bijbelverzen niet zeggen dat de doop het behoud ook daadwerkelijk bewerkt. Zie punt 5 van Bijbelstudie 36: “Het behoud is alleen door het geloof”.

In Johannes 3:5 verwijst Jezus met, “geboren worden uit water”, niet naar de wedergeboorte maar naar de natuurlijke geboorte. Het water waar Jezus hier naar verwijst is het vruchtwater.

In Marcus 16:16 en Handelingen 2:37,38 lijkt het erop dat de doop gezien wordt als een voorwaarde voor het behoud. Uit de rest van de Bijbel weten we dat deze bijbelverzen zo niet opgevat moeten worden. Bekering en doop worden in  deze verzen in één adem genoemd omdat zij in de tijd van de apostelen vanzelfsprekend samen gingen. Op het moment dat iemand zich bekeerde, liet hij zich ook direct dopen. In de tijd van de apostelen was een oproep tot bekering daarom tegelijkertijd ook een oproep om je te laten dopen.

[4] Nadat Petrus het evangelie had uitgelegd, geloofde Cornelius. Op het moment dat hij geloofde, werd hij gered. Daarom ontving Cornelius op dat moment de Heilige Geest. Dat was duidelijk zichtbaar voor Petrus en de andere gelovigen, want hij begon in tongen te spreken. Vervolgens werd Cornelius gedoopt (Handelingen 10:34-48). Cornelius was dus al behouden voordat hij gedoopt werd.

[5] Hoewel deze leer tegen het getuigenis van de Bijbel ingaat, zoals in punt 4 van deze Bijbelstudie is aangetoond, wordt er toch aan vastgehouden. De leer is gebaseerd op een aantal onjuiste aannamen. De eerste aanname is dat de gemeente in de plaats van het volk Israël is gekomen en dat de gemeente daarom gezien moet worden als de voortzetting van Israël. De tweede aanname is dat de besnijdenis is vervangen door de doop. Beide aannamens zijn niet vanuit de Bijbel te bewijzen.

[6] Er wordt in de Bijbel enkele keren gezegd dat iedereen die tot een bepaald huishouden behoorde werd gedoopt. Het huisgezin van Stefanas (1 Korinthiers 1:16), het huis van de gevangenbewaarder uit Filippi (Handelingen 16:30-34) en het huis van Crispus (Handelingen 18:8). Dat bewijst echter niet dat er zuigelingen werden gedoopt. Er staat niet dat er op dat moment zuigelingen of kleine kinderen aanwezig waren in deze huisgezinnen. Integendeel, in deze Bijbelverzen wordt aangegeven dat alle gezinsleden tot geloof waren gekomen. Over het huis van de gevangenbewaarder uit Filippi wordt het volgende gezegd: ”En hij verheugde zich dat hij met al zijn huisgenoten tot geloof in God gekomen was.” (Handelingen 16:34). En over het huis van Crispus wordt gezegd: “En Crispus, het hoofd van de synagoge, geloofde met heel zijn huis in de Heere; en velen van de Korinthiërs die Paulus hoorden, geloofden en werden gedoopt” (Handelingen 18:8). Het feit dat alle huisgenoten tot geloof waren gekomen, bewijst dat er geen zuigelingen in deze huisgezinnen aanwezig waren. Baby’s kunnen immers nog niet geloven.