De taak van de gemeente

Inleiding

 Wat verwacht God van de gemeente? Wat is de taak van de gemeente? Met welk doel heeft Jezus de gemeente gesticht? Over deze vragen gaat deze Bijbelstudie.

De gemeente heeft een taak die gericht is op de wereld. God draagt ons op om het evangelie te verkondigen aan alle mensen. Een taak die gericht is op de gemeente zelf. De gemeente moet zichzelf opbouwen. En een taak die gericht is op God. God wil dat de gemeente Hem geestelijke offers brengt.

1. De verkondiging van het evangelie

Het is de taak van de gemeente om in de gehele wereld het evangelie te verkondigen. Dit wordt wel, “de grote opdracht”, genoemd.

  • “En Hij zei tegen hen: Ga heen in heel de wereld, predik het Evangelie aan alle schepselen” (Markus 16:15)

Aan elk mens, waar ook ter wereld, moet het evangelie worden verkondigd. Het goede nieuws van Jezus die naar de aarde kwam om voor onze zonden te sterven.

  • “En Jezus kwam naar hen toe…en zei…Ga dan heen, onderwijs al de volken, hen dopend in de Naam van de Vader en de Zoon en van de Heilige Geest, hun lerend alles wat Ik u geboden heb, in acht te nemen.” (Mattheus 28:18,19)

Dat taak van de gemeente houdt niet op bij het prediken van het evangelie. De grote opdracht houdt nog meer in. De mensen die tot geloof komen moeten gedoopt en onderwezen worden: “…doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb” (Mattheus 28:19 NBG)

2. De opbouw van de gelovigen

De gemeente heeft ook de taak om zichzelf op te bouwen. Elk lid van de gemeente draagt daar zijn steentje aan bij. Om die reden heeft God iedere christen één of meerder geestesgaven[1] gegeven. Met behulp van deze geestesgaven zijn we in staat om onze medechristenen op te bouwen.

  •  “Laat ieder de anderen dienen met de genadegave zoals hij die ontvangen heeft…” (1 Petrus 4:10)
  • “Zo ook u, als u naar geestelijke gaven streeft, zoek er dan naar om overvloedig te zijn in gaven tot opbouw van de gemeente.” (1 Korinthe 14:12)
  • “En aan Hem ontleent het gehele lichaam als een welsluitend geheel en bijeengehouden door de dienst van al zijn geledingen naar de kracht, die elk lid op zijn wijze oefent, deze groei des lichaams, om zichzelf op te bouwen in de liefde” (Efeze 4:16. NBG)

3. Het brengen van geestelijke offers

  • “en kom naar Hem toe als naar een levende steen, die wel door de mensen verworpen is, maar bij God uitverkoren en kostbaar, dan wordt u ook zelf, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterschap, om geestelijke offers te brengen, die God welgevallig zijn door Jezus Christus. ” (1 Petrus 2:4,5)

 In dit Bijbelgedeelte worden de leden van de gemeente vergeleken met de priesters van het volk Israël. De gemeente wordt hier een, “heilig priesterschap”, genoemd. Het was de taak van de priesters in het Oude Testament om offers te brengen[2]. Ook wij hebben, net als de priester uit het Oude Testament, tot taak om offers aan God te brengen: “om…offers te brengen”  (1 Petrus 2:5) Het zijn echter geen offers, zoals de Israëlieten die brachten, wij slachten en offeren geen dieren. De offers die wij brengen zijn geestelijk: “om geestelijke offers te brengen” (1 Petrus 2:5)

 In het Nieuwe Testament worden drie soorten geestelijke offers genoemd die wij als priesters aan God kunnen brengen:

-Ons lichaam

  • Ik roep u er dan toe op, broeders, door de ontfermingen van God, om uw lichamen aan God te wijden als een levend offer, heilig en voor God welbehaaglijk dat is uw redelijke godsdienst.” (Romeinen 12:1)

Ons lichaam aan God offeren doen we door er iedere keer weer voor te kiezen om voor God te leven en niet voor onszelf. Door te doen wat God ons opdraagt en niet waar wij zelf zin in hebben. Door ieder dag aan God te vragen: “Heer wat wilt U dat ik doen zal?”  “Niemand van ons leeft immers voor zichzelf, en niemand sterft voor zichzelf, want als wij leven, leven wij voor de Heere…” (Romeinen 14:7,8) “En Hij is voor allen gestorven, opdat zij die leven, niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem Die voor hen gestorven en opgewekt is” (2 Korinthe 5:15)

-Ons geld

  • “…ik heb alles ontvangen en ik heb overvloed; ik ben geheel voorzien, nu ik door middel van Epafroditus ontvangen heb wat door u gezonden was, als een aangename geur, een welgevallig offer, welbehaaglijk voor God.” (Filippenzen 4:18)

De Filippenzen ondersteunden Paulus financieel. Ze hadden Epafroditus naar Paulus toegestuurd om het geld, dat zij voor hem opzij gelegd hadden, af te geven. In dit Bijbelgedeelte bedankt Paulus hen voor hun gift. Hij beschouwt de gift die ze aan hem gegeven hebben als een offer aan God. Zie ook Hebreeën 13:16.[3]

-Dankzegging en lofprijs

  • “Laten wij dan altijd door Hem een lofoffer brengen aan God, namelijk de vrucht van lippen die Zijn Naam belijden.” (Hebreeën 13:15)

 Wanneer we God loven en danken brengen we Hem een geestelijk offer.

God heeft welgevallen in deze geestelijke offers. “…om geestelijke offers te brengen, die God welgevallig zijn door Jezus Christus.” (1 Petrus 2:5). Dat betekent dat God ze op prijs stelt, dat hij er waarde aan hecht, dat Hij het graag heeft dat wij dit doen. Deze gedachte komt ook in Romeinen 12:1 en Filippenzen  4:18 terug: “een levend offer, heilig en voor God welbehagelijk” en “als een aangename geur, een welgevallig offer, welbehaagelijk voor God”

4. Het verkondigen van de grote daden van God

  •  “Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilig volk, een volk dat God Zich tot Zijn eigendom maakte; opdat u de deugden zou verkondigen van Hem Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht” (1 Petrus 2:9)

De gemeente wordt hier volk van God genoemd. Als volk van God hebben wij tot taak om Zijn deugden te verkondigen. Het is onze taak om aan de wereld te vertellen hoe geweldig God is. Een deugd is een goede eigenschap. Bijvoorbeeld geduld,  trouw of rechtvaardigheid. God is één en al deugd, Hij heeft alleen maar goed eigenschappen.

Van Gods deugden vertellen doen we vooral door met de mensen te spreken over de geweldige dingen die Hij gedaan heeft. Over het feit dat Hij de hemel en de aarde geschapen heeft, over het feit dat Hij Zijn Zoon gegeven heeft om ons te redden van onze zonden, over het feit dat Hij Jezus uit de dood heeft opgewekt, enzovoort. Juist door deze heilsfeiten leren mensen God kennen en zien ze Zijn deugden. Dit is wat de apostelen deden op de Pinksterdag. De mensen die in Jeruzalem waren voor het Pinksterfeest hoorden hen elk in hun eigen taal over de grote werken van God spreken. “…wij horen hen in onze taal over de grote werken van God spreken.” (Handelingen 2:11) Als gemeente hebben wij de taak om hetzelfde als de apostelen te doen, om God groot te maken door de mensen te vertellen over alles wat Hij gedaan heeft.
Toetsvragen

  1. Welke taak van de gemeente is gericht op de wereld?
  2. Op welke manier voert de gemeente, “de grote opdracht”, uit? Noem drie dingen.
  3. Welke taak van de gemeente is gericht op haar zelf?
  4. Wie is er verantwoordelijk voor de opbouw van de gemeente?
  5. Noem drie geestelijke offers die wij aan God kunnen brengen?
  6. Leg uit hoe wij als christenen ons lichaam aan God kunnen offeren
  7. God heeft welgevallen in deze offers. Leg uit wat daarmee wordt bedoeld.
  8. Welke taak heeft de gemeente volgens 1 Petrus 2:9?
  9. Hoe kunnen we deze taak (1 Petrus 2:9) het beste uitvoeren?
  10. Wat is een deugd?

[1] Zie Bijbelstudies 24 en 25 over de geestesgaven.

[2] In het boek Leviticus worden verschillende offers beschreven die de priesters voor het volk en ook voor zichzelf moesten brengen.

[3] De vertalers van de NBG hebben Hebreeën 13:16 als volgt vertaald: “En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet; want aan zulke offeranden heeft God een welbehagen”. “Bij ‘weldadigheid’ eupoiïa moeten we in de eerste plaats denken aan het ondersteunen van de armen (vgl. Marc. 14:7). Bij ‘mededeelzaamheid’ koinonia gaat het vooral om het delen van geld en goederen met medegelovigen (vgl. Rom. 15:16; 2 Cor. 9:13) Zo noemt ook Paulus in Filippenzen. 4:18 de financiële ondersteuning (koinonia, vgl. Filippenzen 1:5,7;4:14) die hij van uit Filippi ontving, een welriekend, aangenaam en God welgevallig offer.”(Studiebijbel CvB, Hebreeën tot en met Judas, blz. 311)