De Mens

Inleiding

In deze Bijbelstudie zullen we  nadenken over twee belangrijke vragen:

-Wat is de mens?

De mens is een schepsel van God. Hij is geschapen naar Gods beeld.

-Waarom is de mens er?

God heeft de mens geschapen om Zichzelf te verheerlijken. Verder geeft de Bijbel aan dat God de mens geschapen heeft om met hem op te trekken en met hem samen te werken.

1. De mens is een schepsel van God

God heeft de wereld in zes dagen geschapen. Op de laatste dag, de zesde scheppingsdag, schiep God de mens. Op de zevende dag rustte Hij van al Zijn werk.

“En God zei: Laten Wij mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en laten zij heersen over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht, over het vee, over heel de aarde en over al de kruipende dieren die over de aarde kruipen! En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.” (Genesis 1:26,27)

Alles wat God schiep was zeer goed.

En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed.” (Genesis 1:31)

 

Ook de mens was, toen God hem geschapen had, zeer goed. Helaas is het zo niet gebleven. Door de zondeval is de mens slecht geworden.

2. Geschapen naar Gods beeld

 “En God zei: Laten Wij mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis…”(Genesis 1:26)

God heeft de mens naar Zijn beeld geschapen. Om er achter te komen waarin wij op God lijken moeten we de uitspraken die de Bijbel over God en de mens doet met elkaar vergelijken. Als we dat doen komen we er achter dat zowel de mens als God personen zijn. God bezit net als de mens persoonlijkheid. We spreken van persoonlijkheid als iemand zelfbewustzijn, een wil, verstand en gevoel heeft. Al deze dingen worden van God gezegd en ook van de mens. Daarin lijkt de mens dus zeer duidelijk op God.

De mens lijkt ook op God als heerser. God heerst over alles wat er is. De mens heeft van God de macht en wijsheid gekregen om over deze aarde te heersen (Genesis 1:26; Psalm 8:4-9). Over het dieren- en plantenrijk.  De mens is dus Gods onderkoning. En als onderkoning lijkt hij op de grote Koning.

Voor de zondeval leek de mens ook nog op een andere manier op God. Net als God was de mens volmaakt, zonder zonde. Deze volmaaktheid is de mens door de zondeval kwijt geraakt.

Ook na de zondeval draagt de mens nog steeds het beeld van God (Genesis 9:6; Jakobus 3:9,10). [1] Maar het beeld van God is door de zonde wel ernstig misvormd.[2]

Door de zondeval lijken we immers niet meer op God in zijn volmaaktheid. We bezitten echter nog steeds net als God persoonlijkheid. Ook zijn we nog steeds in staat om over de aarde te heersen. Ook al is dat sinds de zondeval wel veel moeilijker geworden. Want er rust sinds de zondeval een vloek op de natuur.

 

3. De kroon op Gods schepping

“Als ik Uw hemel zie, het werk van Uw vingers, de maan en de sterren, die U hun plaats gegeven hebt, wat is dan de sterveling dat U aan hem denkt, en het mensenkind, dat U naar hem omziet? Toch hebt U hem weinig minder gemaakt dan de engelen en hem met eer en glorie gekroond. U doet hem heersen over de werken van Uw handen, U hebt alles onder zijn voeten gelegd: schapen en runderen, die allemaal en ook de dieren van het veld, de vogels in de lucht en de vissen in de zee, al wat over de paden van de zeeën gaat. HEERE, onze Heere, hoe machtig is Uw Naam op de hele aarde!” (Psalm 8:4-10)

De mens is de kroon op Gods schepping. Je zou de mens het hoogtepunt van Gods schepping kunnen noemen. De mens is iets heel bijzonders, want als enige van al Gods schepsels is Hij naar het beeld van God geschapen.

Daarom is de mens in Gods ogen ook zo veel waard. Veel meer dan de rest van Zijn schepping.

“Kijk naar de vogels in de lucht: zij zaaien niet en maaien niet, en verzamelen niet in schuren; uw hemelse Vader voedt ze evenwel; gaat u ze niet ver te boven?” (Mattheüs 6:26)

 Wij gaan in Gods ogen de dieren ver te boven.

 

4. Waarom heeft God de mens geschapen?

God heeft de mens geschapen als gezelschap voor zichzelf

In de eerste hoofdstukken van Genesis zien we hoe God welgevallen had in de omgang met de mens. God waardeerde het gezelschap van Adam en Eva. Hij had de gewoonte om hen te bezoeken. Adam herkende het geluid van de Heere God die in de hof van Eden wandelde (Genesis 3:8). Door de zondeval werd dit contact dat de mens met God had verstoord.

Het doel van de verlossing is om dit contact met God weer te herstellen. We zijn als christenen geroepen tot gemeenschap met God, met Zijn Zoon Jezus Christus (1 Korinthe 1:9). Deze gemeenschap met God gaan we ervaren op het moment dat de Heilige Geest in ons hart komt wonen (Johannes 14:15-21,23).

God heeft de mens geschapen als medewerker

God gaf Adam en Eva de opdracht om de hof van Eden  te beheren (Genesis 2:15). God schiep de mens om te heersen over alle andere levende wezens (Genesis 1:26). God had er blijkbaar plezier in om met Adam samen te werken. Dat zien we bijvoorbeeld in de geschiedenis van de naamgeving van de dieren. We lezen dat God de dieren bij Adam bracht om te zien hoe Adam ze zou noemen. God had de dieren zelf een naam kunnen geven, maar hij had er een welgevallen in om dit Adam te laten doen (Genesis 2:19,20).

Als christen zijn we in dienst van God gekomen. We zijn Gods medewerkers. God heeft iets voor ons te doen, goede werken die Hij tevoren bereid heeft. (Efeze 2:10). Net zoals God met Adam samen werkte wil Hij ook met ons samen werken.

God heeft ons dus geschapen om met Hem op te trekken en om Hem te dienen. Dat is de zin van het menselijk bestaan. We zijn er voor God, om met God te wandelen en Hem te dienen.

5. Geschapen als man en vrouw

God heeft de mens geschapen als man en vrouw.

“En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.” (Genesis 1:27)

God heeft eerst de man geschapen, en vervolgens heeft Hij uit een rib van Adam de vrouw gemaakt.

“Toen liet de Heere God een diepe slaap op Adam vallen, zodat hij in slaap viel; en Hij nam één van zijn ribben en sloot de plaats ervan toe met vlees. En de HEERE God bouwde de rib die Hij uit Adam genomen had, tot een vrouw en Hij bracht haar bij Adam. ” (Genesis 2:21,22)

 Waarom heeft God dit gedaan? In Genesis twee wordt een duidelijk antwoord gegeven op deze vraag. Daar lezen we: “Het is niet goed dat de mens alleen is. Ik zal een hulp voor hem maken als iemand tegenover hem.” (Genesis 2:18).

Verder heeft God dit gedaan om er voor te zorgen dat de mens zich voort zou planten en daardoor de aarde vol zou worden van mensen. “En God zegende hen en God zei tegen hen: Wees vruchtbaar, word talrijk, vervul de aarde…” (Genesis 1:28)

Uit deze geschiedenis kunnen we een aantal belangrijke lessen leren. In de eerste plaats kunnen we hieruit leren dat het huwelijk goed is. Want God heeft het zelf ingesteld. Het huwelijk is dus niet zondig of slecht. En het is niet geestelijker om ongetrouwd te zijn. Deze verkeerde opvatting over het huwelijk wordt in de Bijbel een leer van demonen genoemd: “Maar de Geest zegt uitdrukkelijk dat in latere tijden sommigen afvallig zullen worden van het geloof en zich zullen wenden tot misleidende geesten en leringen van demonen…Zij verbieden te trouwen…alles wat God geschapen heeft is goed en niets is verwerpelijk wanneer het onder dankzegging aanvaard wordt.” (1 Timotheüs 4:1-4) Het verplichte celibaat van de Rooms-katholieke kerk is dus een duivelse instelling[3].

Verder kunnen we uit deze geschiedenis leren dat de man boven de vrouw gesteld is (1 Timotheüs 2:9-15). Daarom behoort een vrouw niet over haar man te heersen, maar zich aan haar man te onderwerpen. De man moet op zijn beurt zijn vrouw respecteren en liefhebben (1 Petrus 3:1-7).

Deze geschiedenis verklaart ook waarom homoseksualiteit in Gods ogen een gruwel is (Leviticus 18:22 en 20:13)[4]. Homoseksualiteit is tegennatuurlijk (Romeinen 1:24-27). Het gaat tegen de natuur in, tegen de wijze waarop God ons gemaakt heeft. Deze zonde is een openlijke opstand tegen Gods scheppingsorde. God heeft de mens als man en vrouw geschapen en niet als man en man of als vrouw en vrouw.

 

6. Lichaam, ziel en geest

“Daarom verliezen wij de moed niet, integendeel, ook al vergaat onze uiterlijke mens, toch wordt de innerlijke mens van dag tot dag vernieuwd” (2 Korinthe 4:16)

De mens bestaat uit een materieel deel  en een immaterieel deel. Het materiële deel is de uiterlijke mens. In de Bijbel wordt dit deel van de mens het lichaam genoemd. Het immateriële deel is de innerlijke mens. In de Bijbel wordt dit deel van de mens ziel of geest genoemd. De woorden ziel en geest hebben in de Bijbel dus vaak dezelfde betekenis. Beide woorden duiden de innerlijke mens aan.

Wanneer een mens sterft vergaat het materiële deel, het lichaam. Maar het immateriële deel, de ziel, blijft voortbestaan. De ziel verlaat op het moment dat we sterven het lichaam.[5]

De woorden ziel en geest hebben in de Bijbel vaak dezelfde betekenis. Maar in het Nieuwe Testament, vooral in de brieven van Paulus, wordt er een duidelijk onderscheid gemaakt tussen ziel en geest.

“En moge de God van de vrede Zelf u geheel en al heiligen en mogen uw geheel oprechte geest, de ziel en het lichaam onberispelijk bewaard worden bij de komst van onze Heere Jezus Christus.” (1 Thessalonicenzen 5:23)

“Want het Woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt door tot op de scheiding van ziel en geest, van gewrichten en merg, en het oordeelt de overleggingen en gedachten van het hart. ” (Hebreeën 4:12)

 In deze twee teksten wordt een duidelijk onderscheid tussen ziel en geest gemaakt. Met geest wordt hier het deel van de innerlijke mens bedoeld waar Gods Geest woont. Het is dat deel van onze innerlijke mens waarmee we contact hebben met God. Met ziel wordt hier onze persoonlijkheid bedoeld los van Gods Geest. Ons zelfbewustzijn, verstand, wil en gevoel.

 

Toetsvragen

  1. Waarin lijkt de mens op God?
  2. Lijkt de mens sinds de zondeval nog steeds op God?
  3. Waarom gaat de mens in Gods ogen de dieren ver te boven?
  4. Wat is de zin van ons bestaan?
  5. Waarom schiep God de mens als man en vrouw?
  6. Welke lessen kunnen we leren uit Genesis 2:21,22?
  7. Uit welke drie onderdelen bestaat de mens?
  8. Noem twee teksten waarin een duidelijk onderscheid gemaakt wordt tussen ziel en geest.
  9. Wat is de functie van onze geest?
  10. Zoek een aantal teksten op in de Bijbel waaruit blijkt dat de ziel na de dood blijft voort bestaan.

[1] Het beeld van God is door de zonde niet volledig weggevaagd. Dit blijkt uit twee bijbelgedeelten (Genesis 9:6; Jakobus 3:9,10). Deze Bijbelgedeelten geven aan dat de mens ook na de zondeval nog steeds het beeld van God draagt.  We lijken niet meer op God in Zijn volmaaktheid. Maar we lijken nog steeds op God als heerser. En we bezitten nog steeds net als God persoonlijkheid.

[2] Dit aspect van het beeld van God wordt wanneer wij tot geloof komen weer hersteld. Vanaf dat moment gaat God ons heiligen. Daardoor gaan we steeds meer op God lijken. We worden steeds meer veranderd naar het beeld van God en het beeld van Christus. (Efeze 4:17-32, Kolossenzen 3:5-14, Romeinen 8:29). Zie verder Bijbelstudie 41 over de heiliging.

[3] Een vrijwillig gekozen celibaat is echter niet verkeerd. Paulus was ongetrouwd. Niet omdat hij niet mocht trouwen, maar omdat hij er vrijwillig voor gekozen had. Paulus noemt het een gave die hij van God ontvangen heeft (1 Korinthe 7:7-9). Het grote voordeel was dat hij, door ongetrouwd te blijven, al zijn aandacht en energie kon wijden aan de verkondiging van het evangelie. De overige apostelen waren wel getrouwd (1 Korinthe 9:5).

[4] In de ogen van God is het uitleven van homoseksualiteit een ernstige zonde. Zie Leviticus 18:22 en 20:13, 1 Korinthe 6:9,10, 1 Timotheus 1:10 en Romeinen 1:26,27. Deze teksten worden besproken in de bijbelstudie over homoseksualitiet. Deze bijbelstudie is te vinden in boek II.

[5] Toen Rachel stierf verliet haar ziel het lichaam. “En het gebeurde, toen haar ziel het lichaam verliet, want zij stierf, dat zij hem de naam Ben-oni gaf.” (Genesis 35:18). De dood is dus een scheiding van ziel en lichaam. Als gevolg van deze scheiding vervalt het lichaam weer tot stof. “…want stof bent u en u zult tot stof terugkeren.”  (Genesis 3:19). Maar de ziel blijft voortbestaan. Als we behouden zijn op het moment dat we sterven zal onze ziel tot het moment van de opstanding voortleven bij Jezus.  We zullen net als de dief die naast Jezus aan het kruis hing, bij Jezus in het paradijs zijn. “…heden zult u met Mij in het paradijs zijn.” (Lukas 23:43). Voor meer uitleg over de toestand van de gelovigen en ongelovigen na hun sterven zie de bijbelstudie “Wat gebeurt er als je sterft”. Deze bijbelstudie staat in boek II.