49. De leer is belangrijk

Inleiding

“Geef acht op uzelf en op de leer…” (1 Timotheüs 4:16)

De leer is belangrijk. Wat geleerd wordt is namelijk van grote invloed. Zowel op ons behoud als op ons geestelijk welzijn. Daarom draagt Paulus, Timotheus op om acht te geven op de leer. Dit moest hij ondermeer doen door de gelovigen te bevelen geen andere leer te brengen (1 Timotheus 1:3). In de gemeente te Efeze, waar Timotheüs op dat moment was, waren een aantal gelovigen die dit deden.

De Bijbel maakt onderscheid tussen gezonde en valse leer. De gezonde leer is de leer die Jezus bracht, en die ons in het Nieuwe Testament wordt onderwezen. De leer die Jezus bracht was van God afkomstig. “Mijn leer is Mijne niet, maar Desgenen Die Mij gezonden heeft.” (Johannes 7:16 SV) Iedere leer die hiervan afwijkt is een valse leer. Voor valse leer moeten we uitkijken. Ook de Farizeeën brachten een bepaalde leer, Jezus waarschuwde Zijn discipelen voor deze leer (Mattheus 16:6,12). De discipelen moesten op hun hoede zijn voor het onderricht, dat is voor de leer van de Farizeeën.

Zuiverheid in de leer is volgens de Bijbel dus een heel belangrijke zaak. Het is iets dat wij na moeten streven: “Betoon in het onderwijs zuiverheid” (Titus 2:7). Om deze zuiverheid in de leer te bewaren draagt de Bijbel ons op om in de gemeente tucht uit te oefenen op het gebied van de leer. Valse leer mag niet getolereerd worden (1 Timoteüs 1:3; Handelingen 15:1,2; Galaten 2:1-5).

 1. Wat is eigenlijk de leer?

Leer komt van het werkwoord leren. Iemand iets leren, onderwijzen. Met het woord  leer wordt de inhoud van het Bijbelse onderwijs over een bepaalde zaak bedoeld. De Bijbel zegt bijvoorbeeld allerlei dingen over Christus. Als we die dingen samen nemen, dan hebben we de Bijbelse leer over Christus. Zo kun je over elk Bijbels onderwerp de leer formuleren. De Bijbel spreekt bijvoorbeeld over “een leer over dopen, oplegging der handen, opstanding uit de doden, eeuwig oordeel” (Hebreeën 6:2). Dit is een samenvatting van wat God in Zijn Woord over deze onderwerpen te zeggen heeft. De leer van de Bijbel over een onderwerp bestaat dus uit de grote lijnen van het Bijbelse onderwijs over die zaak. Als je vraagt: “Wat zegt de Bijbel over dit of dat onderwerp?”, dan vraag je naar de leer.

2. Hoe vinden we de leer?

Als we de leer over een bepaald onderwerp willen weten, dan moeten we onderzoeken wat de Bijbel over dat onderwerp te zeggen heeft.

Je kunt dit het beste op een ordelijke manier doen, in drie stappen.

  • Verzamel alle bijbelgedeelten die iets over het onderwerp te zeggen hebben.   Daar kun je een concordantie voor gebruiken.Stel dat je wilt weten wat de Bijbel te zeggen heeft over zachtmoedigheid. Zoek dan met behulp van je concordantie alle teksten op waar het woord zachtmoedig of zachtmoedigheid in voorkomt. Op deze manier kom je al een heel eind.  Er zijn echter ook bijbelgedeelten die iets over zachtmoedigheid zeggen zonder dat de woorden zachtmoedig of zachtmoedigheid daar in voor komen. In de Bijbel staan bijvoorbeeld ook voorbeelden van zachtmoedigheid. Zoals het goede voorbeeld van Gideon (Richteren 8:1-3) en het slechte voorbeeld van Jefta  (Richteren 12:1-7). Het is verhelderend om ook deze voorbeelden bij je studie over zachtmoedigheid te betrekken.
  • Kijk wat elk bijbelgedeelte over het onderwerp te zeggen heeft en noteer dat. Als hulp kun je er een aantal vragen bij stellen. Vragen die beginnen met: wie, wat,  waarom, wanneer, hoe, waar, waartoe.Als je bijvoorbeeld wilt weten wat de Bijbel zegt over zachtmoedigheid, dan moet je de volgende vragen stellen: Wat is zachtmoedigheid? Waarom moeten we zachtmoedig zijn? Wie moeten er zachtmoedig zijn? Hoe kun je zachtmoedig worden?
  • Bekijk alles wat je bij stap 2 gevonden hebt en haal daar de grote lijnen uit.
    Als startpunt kun je de vragen die bij stap 2 genoemd werden gebruiken. Stel dat je wilt weten wat de Bijbel over de hel zegt. Verzamel dan alle teksten in de Bijbel waar het woord hel in voorkomt. Denk na of er nog meer teksten zijn die iets over de hel zeggen. In dit geval zijn die er, want er zijn teksten die spreken over de poel van vuur en zwavel en over de eeuwige straf. Bekijk al die teksten één voor één en kijk wat elke tekst over het onderwerp zegt. Als je dat gedaan hebt, haal dan de grote lijn er uit. Als extra stap kun je, wat je gevonden hebt, vergelijken met wat anderen over de hel leren[1]. Misschien heb je iets over het hoofd gezien.

Bij het formuleren van de leer worden soms fouten gemaakt. In deze voetnoot[2] worden de voornaamste fouten kort besproken.

3.  Pas op voor valse leer

“Maar er zijn ook valse profeten onder het volk geweest, zoals er ook onder u valse leraars zullen zijn, die heimelijk verderfelijke afwijkingen in de leer zullen invoeren”  (2 Petrus 2:1)

“Want dit weet ik: dat na mijn vertrek wrede wolven bij u zullen binnenkomen, die de kudde niet sparen; en dat uit uw eigen midden mannen zullen opstaan die de waarheid verdraaien om de discipelen weg te trekken achter zich aan. Daarom: wees waakzaam …”  (Handelingen 20:29-31)

Paulus en Petrus waarschuwden voor de komst van valse leraren. Wij doen er goed aan om deze waarschuwing ter harte te nemen. Want ook in onze tijd zijn er, binnen de christenheid, vele valse leraren. Het gaat om leraren die zich christen noemen, terwijl ze tegelijkertijd verderfelijke afwijkingen van de leer invoeren. Ze komen niet van buitenaf, ze komen uit het eigen midden. Het gaat om een ernstige zaak, want Paulus vergelijkt valse leraren met verscheurende wolven die het gemunt hebben op de schapen.

Het binnen laten dringen van valse leer is een van de manieren waarop de boze de gemeente aanvalt. In het boek Handelingen lezen we over de geestelijke strijd die rondom de gemeente woedde. De gemeente werd op vier manieren aangevallen. Door vervolging, door onenigheid, door huichelarij en ook door het binnendringen van valse leer (Handelingen 15:1,2). Net zoals de gemeente in het boek Handelingen krijgt iedere gemeente en iedere christen vroeg of laat met valse leer te maken. Daarom moeten we waakzaam zijn. “Daarom: wees waakzaam” (Handelingen 20:31).[3]

Het is dus heel belangrijk dat we alles wat op onze weg komt toetsen aan het Woord van God. “Klopt het wat ze zeggen? Is het Bijbels wat er wordt geleerd?”  We moeten het goede voorbeeld van de Joden uit Berea navolgen. Zij luisterden naar de prediking van Paulus, maar ze namen niet zomaar alles aan wat hij zei. Ze onderzochten dagelijks de Bijbel om te controleren of de dingen die Paulus doorgaf in overeenstemming met de Schriften waren.

“En dezen waren edeler van gezindheid dan die in Thessalonica, want zij ontvingen het Woord met grote bereidwilligheid en onderzochten dagelijks de Schriften om te zien of die dingen zo waren (Handelingen 17:11)

Alleen op deze manier kunnen we onderscheid maken tussen gezonde en valse leer.

Niet alle dwalingen zijn even ernstig. Sommige afwijkingen in de leer zijn ernstiger dan andere. In de tweede Petrus brief wordt gesproken over verderfelijke afwijkingen in de leer (2 Petrus 2:1). Dit zijn de ergste dwalingen die er zijn. Want zij lijden tot verderf. Wie in deze dwalingen gelooft gaat verloren. Het gaat hier om dwalingen die de waarheid van het evangelie aantasten. Ze leiden tot een ander evangelie (Galaten 1:6-9; 2 Korinthe 11:4). Denk bijvoorbeeld aan dwalingen over de persoon van Christus, of over de verlossing.[4]

Ook zeer ernstig is het ondermijnen van de onfeilbaarheid van de Bijbel. Dat leidt uiteindelijk altijd weer tot afval van het geloof.[5] Dit mag onder geen beding getolereerd worden. Een dwaling is ook gevaarlijk als deze op ernstige wijze het geestelijk leven van de christenen bedreigt.[6]

Valse leraren moeten ontmaskerd en weerlegd worden. Paulus deed dit voordurend. In veel van zijn brieven weerlegd hij valse leer. Hij was in een voordurende worsteling met valse leer verwikkeld.  Een goed voorbeeld is de Galatenbrief. In de gemeenten van Galatië waren valse leraren binnengedrongen (Galaten 1:6, 2:4,5, 3:1, 5:7-11, 6:12), ze brachten daar met groot succes een valse leer. Paulus reageerde hierop door een brief aan hen te schrijven. In deze brief stelde hij het probleem aan de orde en weerlegde hij de valse leer.

Als Paulus op de activiteiten van valse leraren stuitte ging hij daar altijd frontaal tegen in (Handelingen 15:2, Galaten 2:4,5). Valse leer mag niet verkondigd worden (1 Timoteüs 1:3). En valse leraren moeten op een afstand worden gehouden (Romeinen 16:17,18; 1 Timotheus 6:20; 2 Johannes :10 ). Dat is belangrijk omdat valse leer werkt als zuurdeeg (Mattheüs 16:6,12; Galaten 5:7-9). Als het zuurdeeg niet wordt verwijderd dan zal het na verloop van tijd het gehele deeg zuur maken. Zo gaat het ook met valse leer in een gemeente of kerkgenootschap. Wanneer valse leer getolereerd wordt, tast het op den duur heel die gemeente of heel dat kerkgenootschap aan.

Toetsvragen
1. Wat wordt bedoeld met ‘de leer’?
2. Waarom is de leer belangrijk?
3. Welke twee vormen van leer onderscheid de Bijbel?
4. Hoe vind je de leer over een bepaald onderwerp?
5. Welk hulpmiddel is onontbeerlijk bij het vinden van de leer?
6. Waarom is het belangrijk om alles wat op onze weg komt te toetsen aan het Woord van God?
7. Petrus spreekt in 2 Petrus 2:1 over verderfelijke afwijkingen in de leer. Geef een aantal voorbeelden.
8. Waarom is het ondermijnen van de onfeilbaarheid van de Bijbel zeer ernstig?
9. Hoe moeten we als christenen met valse leraren en valse leer omgaan?
10.Noem twee fouten die vaak gemaakt worden bij het formuleren van de leer?

 


[1]Zie bijvoorbeeld de Bijbelstudie over het laatste oordeel. Deze bijbelstudie staat in boek II

[2]De voornaamste fouten die worden gemaakt bij het opstellen van de leer:

1. Bij het zoeken van de leer worden niet alle teksten, die iets over het onderwerp zeggen, gebruikt.

2. Soms deugt de uitleg van een tekst niet. Men leest dan iets in een tekst dat er niet staat. Zie Bijbelstudie 48. Dit hoofdstuk gaat over de regels voor de uitleg van de Bijbel. Een voorbeeld is wat tegenwoordig door sommigen wordt gedaan met de bijbelse leer over homoseksueel gedrag. Er zijn zes bijbelteksten die duidelijk maken dat homoseksueel gedrag een ernstige zonde is. De laatste jaren zijn er moderne evangelische christenen verschenen die al deze teksten verdraaien. Dat doen ze met een foutieve, zeer gekunstelde uitleg. Zo proberen ze te bewijzen dat homoseksueel gedrag geen ernstige zonde is. Zie de Bijbelstudie over homosexualiteit. Deze Bijbelstudie staat in boek II.

3. Een andere, veel voorkomende fout is dat men een lering uitsluitend baseert op voorbeelden. God heeft vroeger iets op een bepaalde manier gedaan en men gaat er daarom vanuit dat het altijd zo moet gebeuren. Op de pinksterdag spraken de discipelen in tongen (Handelingen 2). We zien dat in het boek Handelingen nog enkele malen gebeuren. Daar baseert men de leer op dat iedere gelovige in tongen kan spreken. Voor een weerlegging van deze leer, zie Bijbelstudie 27 over spreken in tongen.

4. Een andere reden voor het maken van fouten bij het formuleren van de leer is dat men geen oog heeft voor de verschillende tijden of fasen in Gods plannen. Wat God in een bepaalde tijd aan een bepaalde groep mensen gebood of beloofde, hoeft niet persé voor alle tijden te gelden. God beloofde het volk Israël bijvoorbeeld welvaart en gezondheid wanneer ze Hem zouden gehoorzamen (Deuteronomium 7:11-15; 28:1-14). Maar dat wordt ons, in deze tijd, niet beloofd. God beloofd wel om voor ons te zorgen (1 Petrus 5:7). God droeg het volk Israël ook allerlei dingen op die voor ons tegenwoordig niet meer gelden. Wij hoeven tegenwoordig geen offers meer te brengen, of ons aan spijswetten te houden. Ook hoeven wij de feesten die het volk Israël vierde niet meer te vieren.

5. Een andere fout is dat men te veel steunt op redeneringen, in plaats van te steunen op de directe uitspraken uit Gods woord. Het gaat dan bijvoorbeeld om redeneringen in de vorm van: “Als dit, dan dat”. Als dit het geval is dan is dat het gevolg. Een voorbeeld is de vraag of we tot de Heilige Geest mogen bidden. Als je gaat redeneren lijkt dat te mogen. De redenering luidt: “De Heilige Geest is God. We mogen bidden tot God. Daarom is het juist om tot de Heilige Geest te bidden.” Kijken we echter in de Bijbel dan zien we dat in het Nieuwe Testament niet tot de Heilige Geest wordt gebeden. Daar is geen enkel voorbeeld van. Het komt ook niet voor in het onderwijs over het gebed. Het is kennelijk Gods bedoeling niet dat de focus in het gebed op de Heilige Geest ligt.

6. Nog een fout is dat men te krampachtig probeert om alles in de Bijbel logisch met elkaar in overeenstemming te brengen. Deze fout wordt vaak gemaakt bij de bespreking van het bestuur van God en de eigen wil van de mens. Vanuit de wil van de mens wordt dan het bestuur van God weggeredeneerd. Of men redeneert vanuit het bestuur van God de eigen wil van de mens weg. Dit gebeurt vaak met vergezochte redeneringen. Wat we in dit geval moeten doen is niet verder gaan dan de Schrift. We laten beide staan, omdat de Bijbel beide leert. Zowel het bestuur van God als de eigen wil van de mens. We kunnen dit blijkbaar met ons menselijk verstand niet helemaal doorgronden. Het is belangrijk dat we ons daarbij neerleggen en niet de Schrift gaan verdraaien om een voor ons gevoel bevredigende oplossing te vinden.

[3] Dit is in het bijzonder de taak van de ouderlingen. Zij zijn het die als onderherders de kudde van God moeten hoeden (1 Petrus 5:1-4 ;Handelingen 20:28-31). Hier hoort ook de bescherming van de gemeente tegen valse leer bij. Daarom is het van groot belang dat ouderlingen de leer goed kennen. Want alleen dan zijn ze in staat om “de tegensprekers te weerleggen.” (Titus 1:9)

[4] In het Nieuwe Testament worden een aantal van deze dwalingen genoemd. In 1 Korinthe 15 komen we mensen tegen die niet in de opstanding der doden geloofden. Ze ontkenden daarmee ook de opstanding van Jezus. Paulus maakt aan het begin van dit hoofdstuk duidelijk dat de opstanding van Jezus tot het hart van het evangelie behoort. En wie niet in het evangelie gelooft gaat verloren. Het ontkennen van de opstanding der doden is dus een zeer ernstige dwaling, want zij brengt verderf aan hen die er geloof aan hechten. In de Galatenbrief lezen we over mensen die beweerden dat je niet behouden kan worden als je de wet van Mozes niet houdt. Het was volgens hen absoluut noodzakelijk om je te laten besnijden. Wie dat niet deed kon niet gered worden. Ook dit is een verderfelijke afwijking in de leer. Want Paulus waarschuwt zijn lezers dat zij van Christus los zullen raken  en uit de genade zullen vallen wanneer ze deze valse leer geloven (Galaten 5:1-4). In de eerste Johannesbrief lezen we over mensen die ontkenden dat Jezus de Christus is. Ook ontkenden ze dat Hij in het vlees gekomen is. Ook deze ketterij leidt tot verderf want wie dat gelooft is niet uit God (1 Johannes 4:1-3). Wat je over Jezus geloofd is van levensbelang. Het is het verschil tussen eeuwig leven en eeuwige straf (Johannes 3:36; Johannes 8:23,24 Johannes 20:30,31).

[5] Dat komt omdat door deze dwaling het gezag van de Bijbel aangetast wordt. Wanneer er fouten en vergissingen in de Bijbel staan is de Bijbel niet werkelijk het Woord van God. Want God maakt geen fouten, en Hij vergist zich niet. Zie Bijbelstudie 43 over de onfeilbaarheid van de Bijbel.

[6] Een voorbeeld van zo’n dwaling is contemplatief gebed. Contemplatief gebed is een vorm van meditatie. Door het telkens herhalen van een woord of zin denkt men in contact met God te komen. Door contemplatief gebed stel je, jezelf open voor boze machten. Dit heeft uiteraard zeer grote gevolgen voor het geestelijk leven. Een ander voorbeeld is ‘vallen in de geest’. De Bijbel kent deze ervaring niet. Het zoeken van buitenbijbelse ervaringen is erg gevaarlijk. Je stelt je dan open voor de boze.